Waarom bijna niemand ter wereld vakantiegeld krijgt

Elk jaar in mei of juni verschijnt er in Nederland een extra bedrag op miljoenen bankrekeningen. We noemen het vakantiegeld, we rekenen erop, en voor de meeste mensen voelt het als iets vanzelfsprekends — een normaal onderdeel van werken. Maar dat is het niet. Stap je de grens over, dan blijkt vakantiegeld een uitzondering te zijn die vrijwel nergens anders ter wereld bestaat. Sterker nog: in de meeste landen is er niet eens een woord voor.
Tijd om er eens goed naar te kijken. Want achter dat jaarlijkse extraatje zit een verhaal over wetgeving, geschiedenis en een naam die de werkelijkheid allang niet meer dekt.
Eerst even: wat is vakantiegeld precies?
Hier ontstaat vaak verwarring, dus laten we het scherp krijgen. Er zijn twee dingen die makkelijk door elkaar lopen:
Doorbetaalde vakantiedagen. Dit is je gewone loon dat gewoon doorloopt terwijl je vrij bent. Neem je in juli twee weken op, dan krijg je die weken normaal uitbetaald. Bijna elk land ter wereld kent dit in een of andere vorm — het is je salaris, alleen dan tijdens je vakantie.
Vakantiegeld. Dit is iets heel anders: een apart bedrag, bovenop je normale loon, dat één keer per jaar wordt uitgekeerd. Het staat volledig los van of je überhaupt op vakantie gaat. Officieel heet het in Nederland "vakantiebijslag".
Het is dat tweede — dat losse extraatje — dat Nederland tot een uitzondering maakt. De rest van de wereld kent punt 1 wel, maar punt 2 vrijwel niet.
Bijna nergens ter wereld
Vakantiegeld als aparte toelage bestaat eigenlijk maar in drie landen: Nederland, België en Suriname. Daarbuiten is het een onbekend begrip. Werknemers elders krijgen hun betaalde vakantiedagen, en soms een andere bonus zoals een "dertiende maand", maar geen apart vakantiebedrag dat losstaat van hun verlof.
Een paar voorbeelden maken het concreet:
Duitsland — vlak over de grens — kent geen wettelijk recht op vakantiegeld. Duitse werknemers hebben recht op minimaal 24 vakantiedagen, maar een verplicht extraatje bovenop het loon bestaat er niet. Sommige werkgevers geven het vrijwillig ("Urlaubsgeld"), maar het is nergens in de wet vastgelegd.
De Verenigde Staten gaan nog verder: daar is er niet eens een wettelijke verplichting om betaalde vrije dagen te geven. Dat het merendeel van de werkgevers het toch doet, is een kwestie van arbeidsvoorwaarden, niet van wetgeving.
In veel andere landen bestaat wel een dertiende maand — een extra maandsalaris rond het einde van het jaar — maar ook dat is iets anders dan vakantiegeld. Het is niet gekoppeld aan vakantie en werkt volgens hele andere regels.
Kortom: dat vanzelfsprekende gevoel dat wij bij vakantiegeld hebben, is puur Nederlands (en Belgisch). Voor een Duitser, Fransman of Amerikaan is het een curiositeit.
De Belgische variant: enkel én dubbel
België kent vakantiegeld ook, maar heeft het net even ingewikkelder gemaakt dan wij. Daar bestaat "enkel vakantiegeld" en "dubbel vakantiegeld".
Het enkel vakantiegeld is het loon dat doorbetaald wordt tijdens de opgenomen vakantiedagen. Het dubbel vakantiegeld is de echte extra toelage — vergelijkbaar met wat wij vakantiegeld noemen. Voor bedienden komt dat dubbel vakantiegeld neer op ongeveer 92% van het bruto maandinkomen. Voor arbeiders werkt het weer anders: zij krijgen samen zo'n 15,8% van het bruto jaarinkomen, en dat loopt via een aparte instantie, de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.
Het principe is hetzelfde als bij ons — een apart bedrag voor je vakantie — maar de uitvoering is typisch Belgisch: een tikje complexer.
Suriname: de Nederlandse erfenis
Blijft over: Suriname. Dat is geen toeval. Het Surinaamse vakantiegeld is een directe erfenis uit de tijd dat het land onder Nederlands bestuur viel. De regeling reisde mee met het Nederlandse arbeidsrecht en bleef daarna bestaan. Het is, met andere woorden, geen onafhankelijke uitvinding maar een export van ons eigen systeem — wat meteen verklaart waarom uitgerekend Suriname het derde land op de lijst is.
Sinds 1968 vastgelegd in de wet
Terug naar Nederland. Vakantiegeld is hier geen gewoonte of cao-afspraak die je kunt wegonderhandelen — het staat gewoon in de wet. Sinds 1968 is het vastgelegd in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML). Die naam zegt het al: minimumvakantiebijslag. Het is een wettelijk minimumrecht, net als het minimumloon zelf.
De kern van die wet is simpel: elke werknemer heeft recht op minimaal 8% van het brutojaarloon aan vakantiegeld. Dat percentage ligt al decennia vast en mag door cao of contract wel hoger, maar nooit lager worden gemaakt (op een paar uitzonderingen na, zie verderop).
Om het concreet te maken: in 2026 komt de minimumvakantiebijslag neer op zo'n € 2.202,60 bruto per jaar bij een fulltime dienstverband, gebaseerd op het wettelijk minimumloon. Voor de meeste werknemers is het percentage leidend: 8% van wat je dat jaar bruto verdiende.
Hoe het precies werkt
Een paar praktische zaken die goed zijn om te weten — of je nu werkgever of werknemer bent:
Waarover wordt het berekend? Over je brutoloon van (meestal) juni tot juni. Sinds 2018 telt ook de overwerktoeslag mee. Wat níét meetelt: bonussen, winstuitkeringen, eindejaarsuitkeringen en reiskostenvergoedingen.
Wanneer wordt het uitbetaald? Minimaal één keer per jaar, en het moet uiterlijk op 30 juni op de rekening staan. De meeste werkgevers betalen het in mei uit — een maand voorsprong op de wettelijke deadline. Uit cijfers van salarissoftware bleek dat in één recent jaar zo'n 61% van de werknemers hun vakantiegeld in mei kreeg en bijna 14% in juni; de rest op een ander moment.
Zijn er uitzonderingen? Ja, twee belangrijke:
In een cao kan staan dat er geen recht op vakantiegeld is — maar dat mag alleen als de werknemer minstens 108% van het minimumloon verdient.
Verdien je meer dan drie keer het minimumloon, dan kan de werkgever schriftelijk met je afspreken dat je over dat meerdere geen of minder vakantiegeld krijgt.
Hogere percentages. Sommige cao's zijn gunstiger. In de horeca is het bijvoorbeeld 8,33% in plaats van 8%.
Voor wie geldt het allemaal?
Het mooie — en verrassende — is hoe breed het recht is. Vakantiegeld is niet voorbehouden aan mensen met een vast contract. Je hebt er recht op als je:
fulltime of parttime in loondienst werkt (parttime naar rato);
uitzendkracht of oproepkracht bent (vaak maandelijks uitbetaald);
een bijbaan hebt als student;
ziek thuis zit — de opbouw loopt gewoon door;
een uitkering ontvangt. Bij WW en Wajong is het 8%, bij bijstand 5%, en bij AOW een vast bedrag.
De grote uitzondering: zzp'ers. Zelfstandigen krijgen geen vakantiegeld. Zij zijn geen werknemers en moeten hun eigen buffer opbouwen — iets om rekening mee te houden als je als ondernemer je tarieven berekent.
De paradox: het gaat allang niet meer naar vakantie
En dan het meest ironische deel van het verhaal. Vakantiegeld is bedacht om mensen in staat te stellen op vakantie te gaan. Maar dat doel is grotendeels verdampt.
Uit onderzoek blijkt dat nog maar zo'n 40% van de mensen het geld daadwerkelijk aan een vakantie besteedt. De rest gebruikt het voor heel andere dingen: schulden aflossen, een grote aankoop, of zelfs beleggen. Voor veel mensen is de meimaand simpelweg het moment waarop er een flink bedrag binnenkomt dat handig van pas komt — waar dan ook voor.
De naam is daarmee een beetje een fossiel geworden. Officieel heet het niet voor niets "vakantiebijslag" en niet "vakantiegeld": het woord vakantie zit er eigenlijk alleen nog in uit gewoonte. Het is een toeslag op je loon geworden, met een naam uit een tijd waarin die toeslag nog een duidelijk doel had.
Wat het zegt
Vakantiegeld is uiteindelijk een klein maar veelzeggend stukje van de Nederlandse arbeidsmarkt. Het is wettelijk verankerd, geldt voor vrijwel iedereen die werkt of een uitkering krijgt, en het is zo ingeburgerd dat we vergeten hoe uitzonderlijk het is. Vraag een willekeurige Nederlander of vakantiegeld normaal is, en het antwoord is "natuurlijk". Vraag het aan iemand net over de grens, en je krijgt een vragende blik.
Het is een van die dingen die zó vanzelfsprekend voelen dat je bijna niet doorhebt dat de rest van de wereld het niet kent. En misschien is dat wel het aardigste eraan: een klein Nederlands recht, elk voorjaar opnieuw, dat nergens anders zo bestaat.

